Van prehistorie tot de Romeinse tijd

Lang voordat er sprake was van de dorpen Veldhoven, Zeelst, Oerle en Meerveldhoven bood het landschap in dit gebied voldoende bestaansmogelijkheden voor een kleine groep mensen. Aan het einde van de Laatste IJstijd, 10.000 tot 15.000 jaar geleden, leek het land­ schap op een toendra, een grote vlakte begroeid met planten die bestand waren tegen felle kou. Dat wil niet zeggen dat de grond continu bevroren was en dat hier een ijskap voorkwam. In de zomer werden aangename temperaturen bereikt, zodat planten goed konden gedijen.

Op deze toendra kwamen onder andere ren­ dieren voor. Zodra het voedsel in een gebied opraakte of als het kouder werd, trokken de rendierkudden zuidwaarts. Gedurende de zomermaanden verbleven veel rendieren in het gebied dat we nu kennen als de Kempen. Het was een streek die bestond uit dekzandruggen, beekdalen en moerassen. Vooral op de randen tussen de dekzandruggen en de beekdalen graasden rendieren. Zij vonden daar voldoende eetbare planten, terwijl drinkwater in de directe nabijheid was. De mensen in die tijd verbleven niet permanent in dit gebied. Zij leefden vooral van de rendieren en trokken zodoende met de kudden mee. Jacht, visvangst en het verzamelen van eetbare knollen, noten en bessen waren hun voornaamste bronnen van bestaan. Voor de jacht maakten deze rendierjagers gebruik van pijl en boog. De pijlpunt was doorgaans gemaakt van vuursteen. Ook gebruikten deze jagers krabbers van vuursteen om de huiden van de rendieren of ander wild schoon te schrapen. De benodigde vuursteen werd gevonden in Zuid-Limburg of Duitsland. De werktuigen werden door de jagers zelf gemaakt, soms in een kampement dat opgetrokken werd nabij een vlakte waar rendieren graasden. Archeologen vinden van zo’n kampement de vuurstenen werktuigen terug, het stenen afvalmateriaal en soms werktuigen van rendiergewei. Alle andere sporen zijn in de loop der tijd vergaan. Ook in de Kempen zijn werktuigen gevonden die zeker 10.000 jaar oud zijn en die ooit gebruikt zijn door deze rendierjagers.

 

Toen het klimaat warmer werd, trokken de rendieren definitief naar het noorden. In deKempen ontstond geleidelijk een andere begroeiing en kwamen er andere diersoorten voor. Nog steeds leefde de bevolking van de jacht, nu echter op klein wild, vogels en vissen. Er kwam meer plantaardig voedsel voor, zodat er ruim voldoende te eten was voor deze jagers/ verzamelaars. De stenen werktuigen van deze mensen zijn over het algemeen kleiner dan die in de periode daarvoor. Sommige mensen verbleven in deze streek in hutkommen, kleine primitieve woningen. Van permanente bewoning was nog geen sprake.

 

Tijdens de Nieuwe Steentijd (5300 tot 2100 voor Christus) vond de overgang plaats van jagen en verzamelen naar landbouw en veeteelt. Op het grondgebied van de huidige gemeente Veldhoven zijn nog geen bewoningssporen uit die tijd gevonden, maar wel stenen werktuigen en aardewerk.

 

Na de Nieuwe Steentijd volgde de Bronstijd (2100 tot 700 voor Christus), een periode die gekenmerkt wordt door het gebruik van bronzen voorwerpen. Rondreizende brons­ gieters verkochten bronzen bijlen en speer­ punten aan de bevolking of beter gezegd geruild tegen vee of graan. Deze handelaren/ ambachtslieden kwamen uit Engeland. Daar werden ook de grondstoffen koper en tin gevonden, die benodigd waren voor het vervaardigen van de bronzen voorwerpen.

De bevolking was godsdienstig. De grafheuvels met urnen en grafgiften wijzen op een geloof in een leven hiernamaals. In de gemeente Veldhoven werden diverse grafheuvels uit de Bronstijd opgegraven. In de 19de eeuw was de belangstelling voor deze grafheuvels al volop aanwezig. Schatgravers maakten een gat in een grafheuvel in de hoop een gave urn daarin aan te treffen. Op deze manier zijn veel vondsten in musea in Nederland en België terecht gekomen, maar de informatie bij de vondsten is onvolledig en meestal onbruikbaar. Tussen 1948 en 1951 verrichtte de Rijksdienst voor Oudheid­ kundig Bodemonderzoek (ROB) in Oerle opgravingen gehouden, die belangrijk zijn voor de kennis van de Bronstijd in Nederland.

In de gehuchten Toterhout en Halve Mijl onder Oerle bevindt zich nog een groot aantal gerestaureerde grafheuvels uit de Bronstijd.

Bij deze grafheuvels zijn door de gemeente bronzen plaquettes geplaatst, die informatie geven over de verschillende soorten monumenten. Ook werden daar enkele bijzondere urnen aangetroffen, waaruit duidelijk bleek dat dit volk contacten onderhield met het zuiden van Engeland. De urn van Toterfout, die in Den Bosch wordt bewaard, is zelfs internationaal bekend in de archeologie.

 

In de IJzertijd (700 tot 50 voor Christus) werden de stoffelijke resten van doden in een urn bijgezet in een grafheuvel, urnenveld of grafveld. Er vonden ook begravingen plaats. Dankzij een aantal opgravingen in Veldhoven is de kennis van die periode de laatste halve eeuw flink toegenomen.

 

In museum ’t Oude Slot in Veldhoven en het Noord-Brabants Museum in Den Bosch worden voorwerpen uit deze periode bewaard die in de loop der tijd in Veldhoven zijn gevonden.

Tijdens de IJzertijd bestonden in alle delen van de huidige gemeente al kleine boerennederzettingen. De inheemse bevolking uit de IJzertijd wordt gerekend tot de Kelten.

 

De Romeinen (50 voor Christus tot begin 4de eeuw na Christus) lijfden het grondgebied van de Kelten in bij het Romeinse Rijk.

De Kempen werd in de Romeinse tijd bewoond door inheemse stammen en enkele Romeinse legionairs. Vermoedelijk ging het om voormalige Romeinse soldaten die zich op het platteland terugtrokken of die zich vestigden in hun geboortestreek. In Veldhoven zijn veel overblijfselen uit de Romeinse tijd opgegraven, zoals huisplattegronden, aardewerk uit Romeinse pottenbakkerscentra of uit lokale productie, Romeinse munten, aardewerk beeldjes van Romeinse goden en sieraden.

Vermoedelijk doorkruiste een Romeinse weg of route, die van de stad Tongeren (B.) naar Rossum liep, het grondgebied van Veldhoven. Dat zou ook het grote aantal vondsten uit die tijd kunnen verklaren, voornamelijk in de beekdalen. Zo zijn in de loop der tijd talloze Romeinse voorwerpen gevonden in het Veldhovense gehucht Heers. Het Romeinse rijk liep aan het begin van de 4de eeuw ten einde. Vermoedelijk vond toen een ontvolking van dit gebied plaats.